- artikel & opinie
- boekrecensie
- bomenridders
- brom & vlieg comics
- cartoon
- computer & internet
- dvd / film
- educatief
- english
- feminisme & vrouwenzaken
- iffr
- illustratie
- infographic
- klimaat & milieu
- konijnen
- krant
- links naar leuke websites
- linosnede
- logo
- muziekrecensie
- pictogram
- rotterdam
- strip
- vrij werk
- workshop
- zone 5300
Twee recensies: Splice (film) + Swans (cd)
dinsdag 28 september 2010
Labels: dvd / film muziekrecensie
Swans - My father will guide me up a rope into the sky
(Young God Records / De Konkurrent)
Michael Gira zette in 1997 een punt achter zijn post-punk noisegroep Swans, met de liveplaat Swans are dead als afsluiter. Tijd voor andere dingen: zijn label Young God Records runnen en… gewoon doorgaan met muziek maken. Onder de naam Angels Of Light maakte hij nog vijf platen. Begin 2010 viel er op zijn website plots te lezen: ‘Swans are not dead’. Een reunie? Die vraag had Gira natuurlijk allang aan zien komen sinds de ene na de andere oudere rockster weer het podium beklimt. Gira: “This is not some dumb-ass nostalgia act. It is not repeating the past. THIS IS NOT A REUNION”. Het is maar dat u het weet. Voor het geld deed hij het in ieder geval niet: om de opnames te kunnen bekostigen moest hij eerst de soloplaat I am not insane uitbrengen.

De bezetting: de oude bekenden Norman Westberg en Christoph Hahn op gitaar, drummers Phil Puleo (Cop Shoot Cop) en Thor Harris (Angels, Shearwater) en wat vers bloed: Bill Rieflin (Ministry) en Grasshopper (Mercury Rev). Het woord reunie mag dan verboden zijn, wie de groep gevolgd heeft kan rekenen op een zeer vertrouwd klinkende bak herrie. Opener No Words/No Thoughts begint met kerkklokken en zet al snel alle sluizen open met een geluidsstorm van dik negen minuten. Saai is het niet, maar niet iedereen zal er tegen kunnen. Ook de thematiek is onveranderd: de donkerste kanten van de menselijke psyche, dood, pijn, liefde, zonde en religie. De mishandelde piano zal na de opnames waarschijnlijk op de stort beland zijn. Michael Gira is ouder geworden, maar niet milder. De songtitel You fucking people make me sick is Gira ten voeten uit, al zingt hij dit lied best op een aangename manier, begeleid door een akoestische gitaar. Reeling the liars in zorgt met gospelgezang voor een contemplatief moment. Het atonale beukwerk van Eden Prison is een goed voorbeeld van Gira’s muzikale opvatting: het moet pijn doen, anders heeft het geen zin. Inside Madeline begint met niets ontziende noise, maar gaat na 4 minuten abrupt over in een bijna lieflijk folkliedje. Swans maakt goed gebruik van contrasten, waardoor de aandacht ondanks de soms lang doorbeukende eentonige akkoorden niet snel verslapt. Gira’s driejarige dochtertje neemt ook nog een zangpartij voor haar rekening. En Devendra Banhart (ook uitgegeven door Young God) heeft in het weldadig kalme slotnummer Little mouth een klein bijrolletje. Juist omdat de plaat ook subtiele momenten heeft is My father... een evenwichtige en geslaagde plaat. Swans zijn nog altijd een groep om rekening mee te houden.

Splice (regie: Vincenzo Natali, productie: Guillermo del Toro, 2009).
Het Frans-Canadese Splice is een aanrader als je van sci-fi thrillers houdt. De intrigerende poster heeft namelijk niets te veel beloofd: het is een heerlijk visueel spektakel met een pakkend verhaal. Elsa (Sarah Polley) en Clive (Adrian Brody) zijn twee wetenschappers die in een lab met hun team een nieuwe levensvorm kweken voor medisch gebruik. De gedrochten zijn niet meer dan kronkelende hompen vlees en hadden zo kunnen figureren in een film van David Cronenberg. Het duo lijkt werkelijk alles te weten van celdeling en wordt overmoedig: ze gaan tegen de regels in aan het experimenteren met het mengen van menselijk en dierlijk dna. Niet voor de lol maar met een hoger doel: een medische doorbraak bereiken waarmee ernstige ziektes tot het verleden zullen behoren. In een thriller horen dingen stevig mis te gaan dus springt de foetus uit de kweekbak en is meteen foetsie. De spannende scene doet sterk denken aan Aliens, waar de kale kreeft het ook meteen op een lopen zet zodra het de kans krijgt. Het piepende wezen dat ze Dren noemen bezit nog niet veel meer dan twee ogen, een hazenlip en kalkoen-achtige poten. Een knap staaltje animatie, even indrukwekkend als de fantasiewezens in del Toro’s Pan’s Labyrinth en Gollem uit Lord of the rings. Het lichaam van de actrice Delphine Chanéac en de door de computer gegenereerde poten vormen een indrukwekkend geheel dat de hele film door blijft boeien.
Om hun wetenschappelijke project geheim te houden, voeden ze Dren op in een afgelegen boerderij. Elsa behandelt het als haar eigen kind, wat nogal wat echtelijke spanningen oplevert. Het meisjesachtige dier verandert ongewoon snel in een mooie vrouw, maar wordt ook hoe langer hoe gevaarlijker. Dren heeft niet alleen een dodelijke staart, maar blijkt wel meer vreemde dingen te kunnen die we hier niet zullen verklappen. Dren windt ondertussen al flemend en kirrend Clive om haar vinger. Vanaf dat moment gaat de film helaas wat over the top. Dat ‘de man met de wenkbrauwen’ uiteindelijk van bil gaat met de monsterlijke Dren en (natuurlijk) betrapt wordt door Elsa is qua geloofwaardigheid net een paar stappen te ver. Het klassieke filmmoment waarop Clive met opgeheven handen lijkt te zeggen ‘Honey, it’s not what it looks like. I can explain.‘ is onbedoeld komisch. Het toevoegen van nóg meer spanningselementen zal vanuit commercieel oogpunt slim zijn geweest. Het is wel wat vermoeiend. Toch is zeker de eerste helft van de film zo goed dat iedere fan van Cronenberg en del Toro er een hoop plezier aan kan beleven.

Blonde Redhead - Penny Sparkle (4AD/V2)
De nieuwe plaat van het New Yorkse trio Blonde Redhead is behoorlijk wennen, om maar met een understatement te beginnen. Penny Sparkle staat zó ver af van de explosieve gitaarrock waar ze in 1995 mee debuteerden dat het nauwelijks dezelfde band lijkt. Alleen het hoge kinderstemmetje van gitariste Kazu Makino is nog herkenbaar. Vroeger klonk ze soms alsof ze tijdens het zingen gewurgd werd, nu zingt ze vooral zacht, lief en saai. De geleidelijke overgang van gitaren naar synthesizers doet een beetje aan de carrière van Cocteau Twins denken, maar Makino is bepaald geen Liz Frazer. Elke plooi is eruit gestreken, iets dat nog meer geldt voor de muziek.
Misery is a butterfly was hun eerste plaat bij het 4AD-label in 2004. Toen klonken ze al beduidend gladder, maar nu is er echt geen scherp randje meer te horen. Exit dissonanten en spannende breaks. De gitaren en drums van Amadeo en Simone Pace zijn verdwenen. Dromerige synthesizers en computerbeats voeren de boventoon. Wat het aandeel van de tweelingbroertjes in het geheel is geweest valt moeilijk te zeggen, al hoor je één van de twee wel zingen in Will there be stars. Omgeschoold tot toetsenist en knoppendraaier? De oorzaak ligt ongetwijfeld bij het inhuren van de Zweedse producers Henrik von Sivers en Peder Mannerfelt, die gespecialiseerd zijn in elektronica. Electronische muziek kan natuurlijk best spannend en avontuurlijk zijn, maar op deze manier dus niet. Maar misschien maken ze in plaats van spannende rockmuziek nu gewoon liever huiskamermuzak voor veertigers met een burn-out. Dat kan natuurlijk ook. Iets nieuws proberen is beter dan jezelf vijftien jaar blijven herhalen, maar deze stap is onbegrijpelijk. De vermoeide zuchtzang van Makino en de voortkabbelende beats met veel galm werken in ieder geval goed als slaapmiddel. Maak me maar weer wakker als ze klaar zijn.
