< Terug naar overzicht

Ode aan de arbeid

De in Londen wonende Zwitser Alain de Botton heeft inmiddels een flinke reputatie opgebouwd als filosoof van het gewone leven. Zijn manier van filosofie bedrijven is namelijk niet abstract, maar toepasbaar en toegankelijk. Op een leerzame en vaak grappige manier verbindt hij filosofie met psychologie, kunst, sociologie en economie. Weinig theorie, veel scherpe observaties en herkenbare gedachten over dingen waar iedereen mee te maken krijgt, van lelijke hotelkamers tot succesgoeroes, haperende apparaten en faalangst.

In De romantische school verkent hij onze mogelijke en onmogelijke verwachtingen van de liefde, geïllustreerd met komische grafiekjes. De kunst van het reizen draait om de vraag hoe optimaal te genieten van reizen. Met voorbeelden maakt hij ideeën van Flaubert, Ruskin en Van Gogh weer actueel. In De troost van de filosofie leert hij ons hoe alledaagse problemen het hoofd te bieden zoals impopulariteit, geldzorgen, frustratie en liefdesverdriet. Filosofie als medicijn. Leuk om te lezen is bijvoorbeeld dat Socrates zich destijds al net zo ergerde aan de mening van de massa als velen van ons nu. In De architectuur van het geluk toont hij aan dat gebouwen en hun inrichting meer invloed hebben op ons welbevinden dan men denkt. En wat zeggen Victoriaanse meubels en Scandinavisch minimalistisch servies over de personen die zich ermee omringen? In Statusangst is maatschappelijk succes zijn onderwerp, of eigenlijk: de angst voor het gebrek daaraan. De prestatiegerichtheid van onze maatschappij relativeert hij met voorbeelden uit de filosofie, kunst en literatuur.


Ode aan de arbeid is zijn negende boek en eigenlijk geen ode, maar een serie overpeinzingen over de moderne werkomgeving. Hij gebruikt zijn rol van buitenstaander om het leven van de werknemer in een breder perspectief te bekijken. Elektriciteit in elk huis en volle schappen in de supermarkt zijn zo gewoon dat wie niet meer stil staan bij wat daar allemaal bij komt kijken. Onze welvaart draait op allerlei onzichtbare processen en logistieke meesterstukjes, zoals het binnen 96 uur vervoeren van verse aardbeien, omdat we die nu eenmaal 365 dagen per jaar willen kunnen eten. “Een onwaarschijnlijk aantal volwassenen is gedwongen hun luiheid te overwinnen, pallets door hangars te rijden en in de file te staan om tegemoet te komen aan de eisen die zacht vlezig fruit aan ons stelt”. Wie verbaast zich nog over hoogspanningsmasten? Niemand. Toch is het een staaltje vakmanschap waar bepaalde fans de hele wereld voor afreizen.


De Botton is gefascineerd door de efficiëntie van de moderne werkomgeving, waarin taken zo versnipperd zijn dat niemand meer zicht heeft op het hele product. De werknemer is vervreemd geraakt van wat hij produceert en verliest zo het broodnodige gevoel zinvol werk te doen. Marx beschreef dit al in 1844 en het is nog altijd actueel. Zinvol werk + liefde = een gelukkig leven. Geld komt daarna pas, al zou je dat niet zeggen als je personeel ziet rennen om een deadline te halen. Aristoteles was nog van mening dat geluk volgde uit het niet te hoeven werken. Een groter contrast met de huidige opvattingen over werk is nauwelijks denkbaar.
  In dit boek volgt De Botton een aantal mensen in hun bezigheden, zoals een hoogspanningsmast-spotter, een kunstschilder, een uitvinder, een koekjes-marketeer en een loopbaanbegeleider. Als een bioloog kijkt hij met een mengeling van bewondering, verbazing en medelijden naar de toewijding van een accountant. Geen benijdenswaardig beroep in zijn ogen. “Ze overhandigt bij afspraken een kaartje, dat andere mensen vertelt – maar vooral ook haarzelf eraan herinnert – dat ze een Business Senior Manager is en niet een vluchtig, vergankelijk bewustzijn in een toevallig universum.” Hij volgt in Frans Guyana de lancering van een Japanse satelliet en verbaast zich over het contrast tussen deze geavanceerde technologie en de kinderachtige spelshows die ermee uitgezonden worden. Toch is hij geen romanticus die terug verlangt naar vroeger, integendeel. De Botton ziet in een industrieel landschap evenveel schoonheid als in een schilderij van Turner en vraagt zich af waarom er geen reisbureau is dat toeristen rondleidt langs distributiecentra en containerhavens (de Spido-tochten door de Rotterdamse havens zijn hem blijkbaar onbekend).


De fotograaf Richard Baker reisde met hem mee en voorzag elk hoofdstuk van foto’s die naadloos aansluiten bij de bedrieglijk saaie gebouwen en interieurs die ze tegen kwamen. Een vergadertafel met vlaggetjes is namelijk helemaal niet saai als je weet dat de wereld daar bestuurd wordt. Zijn onderwerpen zijn niet eens zo bijzonder, maar zijn gedachten erover des te meer. De academische schrijfstijl vol droogkomische formuleringen is een gouden formule gebleken. Zijn doorwrochte zinnen zijn nogal eens een hele alinea lang, wat niet altijd even lekker doorleest. Maar zijn observaties zijn zo scherp en poëtisch dat ze een tweede keer lezen wel verdienen. Nog eentje dan: Windmolens worden als landschapsvervuilers gezien. Niemand staat er bij stil dat dit eeuwen geleden ook al voor windmolens gold, totdat kunstenaars ze massaal gingen schilderen. Oplossing: laat de landschapsschilders maar eens los op die lelijke windmolenparken. Dan zullen we er in de toekomst heel anders tegenaan kijken.

 

Deze bespreking verscheen zojuist in Zone 5300 #1.